Brigitte Dekeyzer, Vorstelijke luxe en devotie. Het Breviarium Mayer van den Bergh (Gent/Brugge, ca. 1500) in artistiek, religieus en historisch perspectief, 2002. Promotor: Bert Cardon
Brigitte Dekeyzer, Vorstelijke luxe en devotie. Het Breviarium Mayer van den Bergh (Gent/Brugge, ca. 1500) in artistiek, religieus en historisch perspectief, 2002. Promotor: Bert Cardon.
Het Breviarium Mayer van den Bergh, dat wordt bewaard in het Antwerpse Museum Mayer van den Bergh en omstreeks 1500 wordt gedateerd, hoort thuis in een reeks wereldberoemde handschriften waaronder het La Flora getijdenboek (Napels), het Getijdenboek van Isabella de Katholieke (Cleveland), het Breviarium van Isabella de Katholieke (Londen) en het Breviarium Grimani (Venetië). Met zijn ongeveer 80 miniaturen, 149 decoratieve randversieringen, talloze initiaalversieringen en regelvullingen is het een monument van de Zuid-Nederlandse (Gents-Brugse) boekproductie. Het handschrift was bestemd voor export naar Portugal.
De herwerkte tekst van het proefschrift verscheen in het najaar van 2004 bij uitgeverij Ludion met als titel: Herfsttij van de Vlaamse Miniatuurkunst. Het Breviarium Mayer van den Bergh. De Engels titel luidt: Layers of Illusion. The Mayer van den Bergh Breviary.
Een eerste introducerend deel plaatst het Breviarium Mayer van den Bergh binnen de Gents-Brugse boekproductie. Bekende stijlkarakteristieken worden herhaald, andere herdacht en gevarieerd. Het tweede gedeelte handelt over de relatie tussen woord en beeld. Na een overzicht van de inhoud blijkt dat de relatie tussen tekst en voorstellingen in het brevier minimaal is en, zoals gebruikelijk in religieuze handschriften, voornamelijk tot de rode titels boven de gebeden beperkt blijft. Enkel de versiering van het psalterium is specifiek op de tekst betrokken en bijzonder origineel. Naast de klassieke woordillustratie verschijnt immers een boeiende Davidcyclus en een verrassende, ongeziene reeks oudtestamentische taferelen. In het derde hoofdstuk staat de stilistische analyse van de miniaturen centraal. De literatuur is allerminst eenduidig over de meesters die aan het Breviarium hebben gewerkt. Sommige miniaturen worden aan twee of drie verschillende kunstenaars toegeschreven. Op basis van een strikt stijlonderzoek, gecombineerd met gegevens uit de codicologie, de pigmentanalyse en de infraroodreflectografie, treden de kunstenaars voor het voetlicht en worden zij beschreven. Het vierde deel peilt naar de iconografie van het Breviarium Mayer van den Bergh. Uitgaande van een aantal typevoorbeelden passeert de verluchting van het Breviarium de revue. Waar nodig is de onlosmakelijke band met de paneelschilderkunst aangegeven. In het laatste deel staat de opdrachtgever/bestemmeling in de schijnwerpers. Vertrekpunt is het handschrift zelf, dat zowel tekstueel als visueel materiaal aanlevert om een profiel van de bestemmeling op te stellen.
Het strikt technische gedeelte over de kunstenaars die aan het Breviarium Mayer van den Bergh hebben gewerkt, is slechts ten dele in de publicatie opgenomen (deel 3). Een diepgaande studie over het ‘atelier’ van de Maximiliaanmeester (dat tekende voor zo’n 90% van de decoraties van het Breviarium) verschijnt in het Corpus of Illuminated Manuscripts, uitgegeven door Illuminare - Studiecentrum voor Miniatuurkunst.
|
|